Kerstmis in de Lik
Mr. Hubert Vrakken antwoordde op recepties en dergelijke als iemand hem naar zijn maatschappelijke functie vroeg: Forensisch Filantroop... En dat was niet enkel om grappig uit de hoek te komen.
Hij was immers zeker al twaalf jaar bezig de maatschappelijke positie van de gedetineerden in Nederland te verbeteren. Misschien omdat hij bij zijn pogingen enkel het harmoniemodel hanteerde, en nooit eens met de vuist op tafel sloeg, had hij tot nu toe eigenlijk maar bijzonder weinig succes gehad.
Behalve dan dit!
In zijn hand hield maar liefst vijf uitnodigingen van directeuren van Huizen van Bewaring en Gevangenissen om het Kerstmaal in hun instelling mee te vieren.
Mr. Vrakken was niet zo dol op dit soort invitaties. Want behalve jurist was hij ook gastronoom, een lekkerbek. En lekkerbekken hebben in de gevangenis niets te zoeken. Het eten vertoont daar maar weinig variatie. Vermicellisoep, rode kool, gekookte aardappels en een miniem stukje vlees, meestal een schriele karbonade of hamburger. Dan had je het zo ongeveer wel gehad.
En het enige waarin het Kerstmaal zou verschillen van het menu van alledag, zou hoogstens zijn dat de porties wat royaler dan gebruikelijk...!
Met tegenzin scheurde hij de laatste envelop open. Een invitatie uit de koepelgevangenis in Haarlem! Het gezicht van Mr. Vrakken klaarde op. Dat was andere koek! In de gevangenis te Haarlem was recent Pollepel Johnny opgesloten, in het dagelijks leven niet alleen een onverbeterlijke antiekdief, maar óók de souschef van een gerenommeerd restaurant in Scheveningen (twee sterren!). Het Kerstmaal kon wel eens een culinair hoogstandje worden, daar in Haarlem!
Mr. Vrakken greep onmiddellijk de pen om de heer Brandeis, directeur van de gevangenis aldaar, te melden dat hij op Eerste Kerstdag stipt om een uur 's middags aan de poort zou staan. .
Sneeuw knerpte onder de schoenen van Mr. Vrakken, toen hij de deur van zijn auto sloot, vlakbij de kasteelachtige poort van de gevangenis in Haarlem. Hij belde aan. Het deurtje in de poort zwaaide open en daar stond een kleine vijftiger, de adjunct-directeur Schachtel. Een meestal vermoeid ogende man – want... directielid van een gevangenis, dat is geen sinecure! – maar nu stralend alsof het al lente was in Haarlem. Quod non.
“Komt u gauw naar binnen, meneer Vrakken!Wij dienen stipt op tijd te beginnen. Er komt Hoog Bezoek!”
“Hoog bezoek ? ”
“Ik zeg niets. Het is een verrassing voor de gevangenen ....voor ons allemaal, trouwens! Deze kant uit!”
Ze liepen nu in snel tempo de donkere gang door, die het poortgebouw verbond met het eigenlijke cellengebouw. De versleten kokosmat die hier op de granieten vloer placht te liggen, bleek vervangen door een gloednieuwe roodfluwelen loper. Overal hingen takjes groen en glommen kerstballen. Weggemoffeld achter crêpe papier lieten zich loudspeakers horen. De Damrakkertjes kweelden Nu sijt wellecome, Jesu Lieve Heer!
De binnenpoort zwaaide open en nu stonden ze op 'het vlak': de grote, centrale ruimte van de koepelgevangenis. Het eerste wat Hubert Vrakken opviel was de stilte. Meestal is het vlak vervuld van een ware kakofonie. Gevangenen en bewaarders bonken met luide voetstappen op de ijzeren wenteltrappen. Metalen deuren slaan open en dicht. Schoonmakers ratelen met hun emmers. Bewaarders schreeuwen orders naar hun collega's op de ringen.
Maar ditmaal niets van het normale inferno. Stilte .Op wat stemmige Kerstmuziek na dan.
Midden op het vlak stond een gigantische tafel in T-vorm gedekt. Aan de lange zijde hadden de gedetineerden plaats genomen, aan de korte de autoriteiten.
Schachtel deed Vrakken aan de hoofdtafel aan schuiven. Naast de stoel van directeur Brandeis was nu nog één stoel onbezet. Zeker voor het Hoog Bezoek. Wie zou het zijn?
Minister van Agt? Staatssecretaris Glastra van Loon? ( Ja, dit verhaal speelt in lang vervlogen tijden...! ). In elk geval iemand die uitgekookt genoeg was om het Kerstmaal uit te zitten in de gevangenis, waar Pollepel-Johnny was opgesloten.
Opnieuw zwaaide de poort naar het vlak open...en daar stond, gigantisch naast de nietige gestalte van de adjunct, onder een kolossale hoed, het Rubensachtige lichaam in marineblauw mantelpak, de Kroonprinses...
“Bea...!” mompelde mr. Hubert Vrakken.
Maar zijn gemompel ging verloren in de klanken van een schor Wilhelmus dat de gedetineerden onder enige pressie van de autoriteiten inzetten.
De Kroonprinses naderde nu vriendelijk groetend de hoofdtafel, Reeds waren de twee oranjezonnetjes van haar blozende wangen onder haar hoed te zien. Nog even...ja, daar schudde hij haar grote, witte handschoen.
Ook zij had hem herkend.
“Hubert!”
“Bea!” stotterde hij: “Bea! ”
“Hubert! Jij hier?...” ze herstelde zich: “Meneer Vrakken, wat leuk u hier te zien.”
“Meneer Vrakken studeerde tegelijkertijd met mij in Leiden!” zei ze, terwijl ze zich omdraaide naar Brandeis en Schachtel: “ Een énige tijd, nietwaar, meneer Vrakken ?!”
En vlug schoot ze langs hem naar haar plaats aan de hoofdtafel. Bang zeker dat hij confidenties aan Brandeis en Schachtel zou gaan doen over 'die énige tijd'. Alsof hij dat van plan was. ... Dat ze elkaar gekust hadden... Een zwoele tongkus, dát ook nog... in een stoffige inham in de bibliotheek van het Criminologisch instituut, op een regenachtige herfstmiddag, toen ze daar helemaal moederziel alleen waren. Een oprisping van plotselinge ... ja, van wat eigenlijk? Onbeholpen liefde?
Waarvan zij beiden behoorlijk schrokken. Vrakken nog het meest. De Prinses bleef er veel kalmer onder. Hervond al snel haar waardigheid. Veegde haar mond af met een batisten zakdoekje – door een burgerjongen gekust, nietwaar ... _ en heupwiegde vervolgens doodleuk terug naar haar zitplaats aan de leestafel, die ze voor hem zo schokkend verlaten had. Daar sloeg ze haast werktuigelijk een bladzij om in het boek, dat voor haar open geslagen lag. 'Misdaadkunde”, van Prof. Mr. Dr., J.M. van Bemmelen, de Dikke Van Bemmelen.
En toen nog een bladzij. En toen nog een... .
(Jaren later nog, kon Hubert Vrakken het boek nog voor zich zien, zoals het toen daar open lag... Het was de 17de, geheel hernieuwde druk .)
Wel gebaarde de Kroonprinses nog dat Hubert Vrakken de bibliotheek per onmiddellijk moest verlaten! Hare Koninklijke Hoogheid wilde helemaal alleen zijn. Dringend alleen. Om het onverwachte te verwerken... De 'misdaad' jegens haar gepleegd...
Bij die ene kus - DE KUS ! – daar was het bij gebleven. Zij had het feitelijk eigenlijk al uitgemaakt, nog voordat het was begonnen. Zij deed het niet met een burgerjongen. Dat kón nu eenmaal niet! Zij was de Kroonprinses! Dát moest het zijn! Althans zo had Hubert Vrakken het toen begrepen.
Maar de Kus, die Kus der Kussen, hoe had die dan in Godsnaam plaats kunnen vinden? Want... het was van haar uitgegaan! Van haar! Zij was op hem afgekomen in die duistere nis. Had hem plotseling omhelsd en diep gekust, Niet andersom! En... hem toen weer even plots losgelaten en, volkomen raadselachtig, uitgeroepen: “ Je bent het niet! Je bent het niet! Holy shit!” Of woorden van een dergelijke strekking. Waarna ze dus resoluut weer op haar plaats aan de bibliotheektafel was gaan zitten, duidelijk boos-verdrietig, achter haar Van Bemmelen.
Wat was de verklaring van dit onbegrijpelijk 'onkroonprinsesselijk' gedrag .Want er moést een verklaring zijn! Plotseling opgekomen geilheid? Nee, dat kon het niet zijn, daar had zij zichzelf veel te voor onder controle. Zij was altijd en eeuwig en overal Kroonprinses. Een ware controlefreak. Daar stond zij om bekend.
Of toch...?
Had zij, de Kroonprinses, aangevoeld op een of andere mysterieuze wijze , dat hij, Hubert Vrakken, haar wel mocht, meer dan gemiddeld zelfs, en was dat gevoelen haar te sterk geworden?
Had het haar overmand?
Want, inderdaad... Hubert vond haar inderdaad niet onappetijtelijk toentertijd, met die blozende sinaasappeltjeswangen met een kuiltje er in, als ze lachte.
Het raadsel werd de week daarop, onverwacht, 'opgelost' door een incident met een paparazzo in het Juridisch Centrum Gravensteen. Het bleek dat hij, Hubert Vrakken, een dubbelganger had, of, juister gezegd... dat hij, Hubert Vrakken, een dubbelganger was …
In die dagen was een groot deel van het Nederlandse volk, het vrouwelijke voorop, plus een groot deel van de Nederlandse pers, voorop De Trojegraaf, de Krant van Wakker Troje, almaar bezig met de vraag of de kroonprinses al een vriend(je) had...
En als dat zo was, wie dan wel?
Nu had de Kroonprinses inderdaad in die dagen een vriendje, ene Wobbe, Wob of Bob Teenstra – Wie is de Bob ?– het kan ook Feenstra of misschien zelfs Spleenstra geweest zijn, what's in a name?
Die jongen werd door ons, zijn medestudenten, toentertijd spottend Prins Wob genoemd. Spottend ...want fluister... fluister.. het kon nooit iets worden tussen hem en de Prinses, want die arme Wobbe leed aan hetzelfde 'dodelijke' euvel als Hubert Vrakken.
Hij was niet van adel!
Het was een doodgewone burgerjongen, 'slechts de zoon van een notaris' (Vergelijk: jaren later – le histoire se repète – Willem Alexander met zijn 'verboden' liefde Emily Bremer, 'slechts de dochter van een tandarts' )
Daar kon het Koningshuis zich natuurlijk niet mee encanailleren.
Nee, het water was veel te diep.
Prins Wob was een lange, schrale jongen met op zijn neus zo'n streng stalen ziekenfondsbrilletje, als geliefd in die dagen bij Leidse studenten. Hubert Vrakken droeg het ook. Ook hij was lang en in die dagen werkelijk Piet Paaltjens-achtig mager.
Als Prins Wob.
En toen gebeurde het. Het incident . Een Trojegraaf wist het Gravensteen binnen te dringen en er bliksemsnel een foto te maken van de Prinses die daar in de hal een kopje thee stond te drinken met wat jaargenoten. Geheel aan de andere kant van de hal bij een groepje eerste jaars stond Hubert Vrakken eveneens met een kopje thee.,
Daarbij had die louche paparazzo die snapshot zo weten te nemen dat Hubert plots recht, zij het wat wazig, tegenover de prinses bleek gekatapulteerd...
' De Kroonprinses en haar vaste vriend Wobbe Teenstra' stond als onderschrift bij de foto, die de volgende dag groot op de voorpagina prijkte van De Trojegraaf! Een Primeur!
Nu was de aloude, roemruchte Maastrichter Gazette in die dagen verworden tot een kopblad van de Trojegraaf.
En die krant plofte bij Huberts tantes in Maastricht 's ochtends op de vloermat. Prompt kreeg hij, Hubert Vrakken, een brief van tante Hortense Lambermont uit de Grote Looyerstraat, de alom gerespecteerde voorzitster van het Katholieke Vrouwengilde, afd. Maastricht.
“ Prima, Hubert, dat je je in de hoogste kringen weet in te werken, maar denk er aan .. zij is niet katholiek! !”
Ja, protestant versus katholiek , dat was toen de wij zij – tegenstelling. Moslims waren nog in geen velden of wegen te bekennen! Dus waren wij, christenhonden, bij gebrek aan beter, toentertijd, wel gedwongen het met elkaar te doen....ons favoriete nationale spel Mens -erger – je- niet!
Én de Kus? De 'Kus der Kussen'? Die was blijkbaar dus niets anders geweest dan het ongelukkig gevolg van een persoonsverwisseling!
Klaarblijkelijk had de Kroonprinses daar in die duistere nis in de Criminologische Bibliotheek Hubert Vrakken aangezien voor Wobbe Teenstra. De Oranjes zijn kippig
Gedenk Koningin Juliana, die steevast in elke fabriek die zij bezocht de verkeerde kant opkeek, nooit naar de machine die haar door haar begeleider werd aangewezen, maar strijk en zet naar de machine daarnaast
Blijkbaar had onze Kroonprinses in al haar kippgheid, daar in de duisternis van de Bibliotheek van het Criminologisch Instituut, besloten haar niets vermoedende Wobje te verrassen met een innige omhelzing. Te laat bemerkte de Verliefde, ocharm, dat het niet Prins Wob was die zij in haar armen gesloten had, maar Prins Huub...
Of... was er toen tòch door die ondoordachte kus een of andere chemie ontstaan tussen hen beiden...? Zo ja, hoe lang werkte zo'n chemie dan? Kan het zijn dat zo'n chemie nooit ophoudt...? There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy!
Het Diner overtrof Mr Hubert Vrakkens stoutste verwachtingen. Vooraf Schildpadsoep met een forse scheut Madeira erin. Ganzenpastei als eerste tussengerecht. Truite bleu als tweede. Geef mij maar rolmops hoorde hij een gedetineerde meesmuilend zeggen. Bij gedetineerden kun je het toch ook nooit goed doen!
En als klapstuk: reerug, op Elzassische wijze met buikspek gelardeerd... En rijkelijk opgediend met cranberries! En Pommes Parisiennes! En Compote Macedoine!
En toen dan ook samen met een kolossale ijstaart – het dessert' – Pollepel-Johnny het vlak betrad, ging er een luid gejuich op. Plus een klaterend applaus.
En Vrakken hoorde Brandeis opmerken tegen de Kroonprinses: “Jammer dat Johnny niet van het Antiek kan afblijven, ander zou het een héle goeie zijn voor bij uw moeder in de keuken op Soestdijk!”
Na de ijstaart stond de prinses op. Nee, ze had geen tijd meer voor de koffie. Zij moest, helaas, gaan. Zij gaf de autoriteiten een handje en wuifde gracieus naar de gedetineerden. Hier en daar aan de tafel werd aarzelend opgestaan en opnieuw het Wilhelmus aangeheven.
Toen boog ze zich naar Hubert.
“ Meneer Vrakken, het zou mij een genoegen zijn, als u mij naar de poort zou begeleiden...”
“ Eh .. ja, maar natuurlijk, Koninklijke Hoogheid,” stotterde hij.
En daar gingen ze, voorafgegaan door de kwikzilveren Schachtel, luid rinkelend met zijn sleutelbos, een curieuze Cupido.
Nog tamelijk plotseling stonden ze op straat. Dooi had ingezet. Sneeuwwater druppelde van de lantaarns. In de verte draaide een laatste pekelwagen van de gemeente de binnenstad van Haarlem in.
Waarom had zij hem mee naar buiten gevraagd? Ging zij hem...plotseling en hartstochtelijk... als toen? Was voor haar die zwoele tongkus van zoveel jaren terug ook …. onvergetelijk gebleven?
Wat een onzin! Wat haalde hij zich in zijn hoofd?
Want de Hofauto was inmiddels al geruisloos glanzend aangereden en even later hield de chauffeur al uitnodigend de portierdeur open.
'Hubert,” zei ze: “Toe, beloof me, je moét eens langs komen op Drakesteyn!”
Even zweeg de forensisch filantroop. Toen zei hij:
“Maar natuurlijk, Bea, ten slotte ben ik het gewend gevangenissen te bezoeken!”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten